Alle kinderen een A

De denkfout in ons LVS

Het Cito-circus is weer langs geweest op de basisscholen. Wie op social media leerkrachten en ouders volgt, zal het niet zijn ontgaan. Steeds luider klinkt de kritiek op het systeem. Dat Cito niet alles meet wat van waarde is, weten we inmiddels wel. Dat dat wat Cito wel meet, misschien ook niet van waarde is, wordt steeds duidelijker. Net als de ongewenste effecten van het systeem.

Het kan ook anders, denk ik.

Acht jaar geleden schreef ik: Het Cito leerlingvolgsysteem.

Twee keer per jaar gaan alle tafeltjes in de klas in jaren vijftig opstelling, want dan is het Citotijd. Tijd om te kijken wat een half jaar onderwijs heeft ‘opgebracht’. Natuurlijk willen kinderen graag laten zien wat ze kunnen en willen leerkrachten graag weten of zij hun werk goed gedaan hebben. Maar lukt dat met toetsen die zo ontworpen zijn dat kinderen keurig verdeeld worden in A-tjes, B-tjes, C-tjes, D-tjes en E-tjes?

Ja, een A-tje, dat willen we allemaal wel zijn en een B kan er ook nog net mee door. Niet alleen leerkrachten, maar ook ouders dragen hun steentje bij. Bijlessen, oefensites en de belofte van een nieuwe Nintendo of Wii bij succes. Als D-tje of E-tje heb je uiteraard gefaald. Teleurgestelde ouders en een plekje met de andere mislukkelingen aan de instructietafel is je lot. Met een C kun je bij mij op school ook al niet meer aankomen, want ook een C leidt niet tot een Havo of VWO advies.  En ook dan heb je dus gefaald. En hoe iedereen ook zijn best doet  50% van de kinderen blijft onder het gemiddelde scoren. En zo geven wij jaar na jaar de helft van alle kinderen het idee dat zij niets kunnen, het niet goed doen, falen.  Triest.

 Sindsdien is de ‘Cito-gekte’ er niet minder op geworden. Ik ken een school die alle onderdelen van de kleutertoets uitsplitst in het rapport. Alles onder een AI wordt als ‘nog niet optimaal’ bestempeld. Geen wonder dat ouders daar ongerust van worden. Bijlesinstituten verdienen goud geld aan het oefenen van toetsen, net als Squla, de commerciële tak van de Cito. De echt slimme ouder bestelt voor 5 euro de toets op Marktplaats, zodat er zeker een A gescoord gaat worden. Ondertussen wordt de norm weer verhoogd en de toetsen weer een beetje moeilijker gemaakt.

Moeten scholen dan maar stoppen met de Cito toetsen? Een genormeerd LVS is verplicht en er zijn maar weinig alternatieven. De alternatieven die er zijn, werken hetzelfde; de gemiddelde score als norm en het verdelen van de kinderen in percentielen. Dit lijkt mij de cruciale denkfout in het systeem.

Het doel van de toets

Er was een tijd dat er nog geen LVS bestond. Ook toen leerden kinderen rekenen en lezen. Als de PISA ranking daarvoor een maat is, lukte dat zelfs beter dan nu. Maar het kon natuurlijk nog beter. Als we de leerontwikkeling van kinderen nauwkeurig in beeld zouden brengen, zouden we daar beter op kunnen afstemmen en zou het allemaal nog beter moeten gaan. Bovendien zouden we zwakke scholen zo eerder herkennen en beter kunnen maken. Hier kon natuurlijk niemand tegen zijn.

 Er kwam een landelijke norm met bijbehorende normaalverdeling. En daar ging het mis, wat mij betreft. Het nemen van een gemiddelde score en de bijbehorende verdeling in percentielen als uitgangspunt is de denkfout in het systeem. Om de kinderen goed in percentielen te kunnen  verdelen, moeten er wel ‘te moeilijke’ opgaven in de toets komen. Als leerkrachten en ouders willen we echter graag dat onze kinderen goed scoren op de toets en gaan we deze ‘te moeilijke’ stof dus onderwijzen en oefenen. Zo stuurt de toets het lesgeven.

Er is nog een ander probleem. Kinderen ontwikkelen zich niet lineair, maar sprongsgewijs. Niet ieder kind ontwikkelt zich in hetzelfde tempo. Kinderen te vroeg als ‘beneden gemiddeld’ bestempelen, leidt tot lage verwachtingen. In https://decorrespondent.nl/8274/flip-2-krijgt-een-rapport-zn-babybroertje-binnenkort-ook/657394122-bbc096ad beschrijft J. Visser deze denkfout en de mogelijke ongewenste gevolgen nog veel uitgebreider.

 Er is niets op tegen om zo nu en dan de resultaten van kinderen op school af te zetten tegen de resultaten van kinderen op andere scholen. Zo voorkom je als school blinde vlekken en het langzaam afzakken naar ‘zwak’. Er is echter ook niets op tegen als 100% van de kinderen de norm haalt. In het huidige systeem is dat echter per definitie onmogelijk.

Een mogelijke oplossing

Stel dat er landelijke toetsen komen waarmee je kunt meten in hoeverre een bepaald referentieniveau al gehaald is. Dit kan, want de eindtoets geeft op dit moment ook al aan of en in welke mate een bepaald referentieniveau is behaald. Deze toetsen nemen we 1x per jaar af vanaf groep 5. Het streven is dat alle kinderen op een bepaald moment dat referentieniveau halen en er staan dus voldoende opgaven van dat niveau in de toets om te bepalen of dat al zo is. Er staan ook opgaven van het niveau erboven, zodat ook zichtbaar wordt welke kinderen al verder zijn. De moeilijkheid van de opgaven blijft over de jaren heen gelijk.

 Waar het ene kind al in groep 5 niveau 1F haalt (en daarna dus onderwijs krijgt richting 2F) is dat voor een ander kind misschien in groep 7 of 8 pas. Als 2F gehaald is, gaan we door voor 3F, zo is er ook uitdaging voor de betere leerling. Jaarlijks komen er voor de scholen nieuwe toetsen beschikbaar (van verschillende aanbieders) met een ruimte hoeveelheid opgaven op een bepaald niveau. Het vooraf oefenen van de toets is dan niet meer mogelijk.

 Scholen kunnen nog steeds worden vergeleken en afgemeten aan de streefpercentages komen voor het aantal kinderen dat 1F en 2F haalt en op welk moment. De school waarvan alle kinderen in groep 6 al op 1F zitten, kan laten zien wat er daarna nog bereikt is.

 Een raar idee of het ei van Columbus?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *